Sociale hygiene examen

Het sociale hygiene examen kun je afleggen via het SVH. Het is wettelijk verplicht om tenminste één leidinggevende in de horecaonderneming aanwezig te hebben die in bezit is van het certificaat SVH sociale hygiëne. Je wordt door de LEC-SVH bijgeschreven in het Register Sociale Hygiëne en je ontvangt de Verklaring kennis en inzicht Sociale Hygiëne als je geslaagd bent voor het sociale hygiene examen.

Het sociale hygiene examen bestaat uit 40 multiple-choice vragen die je in 40 minuten moet beantwoorden. Heb je 29 vragen goed beantwoord dan ben je geslaagd. Het examen wordt meestal afgelegd op een computer, waardoor je binnen een uur de uitslag ontvangt. De kosten voor het afleggen van het examen via het SVH bedraagt € 155,25.

Er zijn totaal 33 locatie verspreid over Nederland waar je examen sociale hygiene kunt afleggen. Het is ook mogelijk om 's avonds en in het weekend een examen af te leggen. Wil je op korte termijn al een examen afleggen? Dat kan! Tot een uur voor de start van het examen is er de mogelijkheid om je in te schrijven.

Gratis proefexamen SVH sociale hygiëne

Voorbereiden op het sociale hygiene examen

Voor examens na 5 september 2016 is de lesstof aangepast. Bereid je goed voor op het examen en bestel het actuele studieboek SVH sociale hygiëne. Bespaar nu 10% op de aanschafkosten van het studieboek via de StudyStore. Via Studystore betaal je geen verzendkosten, die je bij de officiële website van de SVH wel betaalt.

 

Eindtermen sociale hygiene examen

Eindterm 1: Sociale Hygiëne

1.1 De kandidaat heeft kennis over de Drank- en Horecawet (DHW) en andere
regelgeving die verband houdt met alcohol en de introductie van sociale hygiëne.
1.2 De kandidaat heeft kennis en inzicht in het begrip sociale hygiëne en weet wat onder
sociaal gedrag verstaan wordt.
1.3 De kandidaat heeft kennis over de eisen die de Drank en- Horecawet stelt aan
leidinggevenden, zoals:
wat onder leidinggevende wordt verstaan;
aan welke wettelijke eisen een leidinggevende moet voldoen.
1.4 De kandidaat heeft kennis over de eisen die het Besluit kennis en inzicht sociale
hygiëne Drank- en Horecawet in artikel 1 en 2 stelt aan leidinggevenden.
1.5 De kandidaat heeft kennis over de verschillende doelgroepen die voorkomen in de
markt, de gedragskenmerken van deze doelgroepen en kan voorzieningen treffen
gericht op een specifieke doelgroep.
1.6 De kandidaat heeft kennis en inzicht in verschillende bedrijfsformules en
gastvrijheidsformules en de invloed, die deze formules kunnen hebben op de
werving, dan wel wering van bepaalde doelgroepen.
1.7 De kandidaat heeft kennis over hoe hij een sociaal-hygiënisch beleid kan opstellen en
heeft inzicht hoe die gerealiseerd kan worden.
1.8 De kandidaat heeft kennis over relevante wetsartikelen van de Arbowet, zoals:
veiligheid, gezondheid en welzijn;
voorlichting, instructie, toezicht en werkoverleg.
De kandidaat heeft inzicht in:
hoe hij de voorlichting en instructie vorm geeft;
toezicht houdt op naleving van de instructies;
het voeren van werkoverleg;
de verantwoordelijkheid die de Arbowet stelt aan werknemers en werkgevers.
1.9 De kandidaat kan een omschrijving geven van de slijters-/wijnhandelsmarkt en de op
deze slijters-/wijnhandelsmarkt voorkomende aanbieders.
Formules die de kandidaat dient te onderscheiden zijn:
slijterijketens;
zelfstandige slijters/franchisegever;
levensmiddelenhandel;
speciaalzaken in gedistilleerd/bier/wijn.
 
 

Eindterm 2: Grenzen stellen aan gedrag

2.1 De kandidaat heeft kennis over regels en huisregels opstellen.

2.2 De kandidaat heeft kennis en inzicht over het handhaven van (wettelijke) regels en
huisregels, zoals:
controleren;
corrigeren;
sanctioneren.
2.3 De kandidaat heeft kennis over het deurbeleid en de wettelijk geaccepteerde
selectiecriteria.
2.4 De kandidaat heeft kennis en inzicht over het effectief samenwerken met andere
partijen, zoals de gemeente, de politie, collega-ondernemers en handhavers van de
Drank- en Horecawet.
2.5 De kandidaat heeft kennis en inzicht in het voorkomen van en omgaan met
huisvredebreuk.
2.6 De kandidaat heeft kennis en inzicht in het voorkomen en omgaan met discriminatie.
 
 

Eindterm 3: Gespreksvaardigheden

3.1 De kandidaat heeft kennis over onderdelen van de communicatietheorie, zoals:
informatie uitwisselen;
inhoud en betrekking;
contact maken.
3.2 De kandidaat heeft inzicht in het communicatieproces en het herkennen van positieve
en negatieve invloeden op het communicatieproces.
3.3 De kandidaat heeft inzicht in de effecten van goede- en gebrekkige gastgerichtheid.
3.4 De kandidaat heeft kennis over samenwerking met collega’s bij (dreigende) conflicten
met gasten, zoals:
assistentie vragen;
overnemen;
scheiden van partijen.
3.5 De kandidaat heeft inzicht in wanneer en hoe de samenwerking met collega’s bij
(dreigende) conflicten met gasten wordt uitgevoerd.
 
 

Eindterm 4: Risicogedrag bij regelhandhaving

4.1 De kandidaat heeft kennis van diverse soorten risicogedrag van gasten, zoals:
tegenwerkend gedrag;
agressie en geweld;
groepsgedrag;
criminaliteit.
4.2 De kandidaat heeft inzicht in de verschillende oorzaken van risicogedrag en de wijze
waarop hij daarmee omgaat.
 

Eindterm 5: Gespreksmodellen

 
5.1 De kandidaat heeft kennis en inzicht in het kunnen toepassen van het gespreksmodel
‘Nee verkopen’.
5.2 De kandidaat heeft kennis en inzicht in het kunnen toepassen van het gespreksmodel
‘Openlijke regelovertreding’.
5.3 De kandidaat heeft kennis en inzicht in het kunnen toepassen van het gespreksmodel
‘Verborgen regelovertreding’.
5.4 De kandidaat heeft kennis en inzicht in het kunnen toepassen van het gespreksmodel
‘Agressie en geweld’.
5.5 De kandidaat heeft kennis en inzicht in het kunnen toepassen van gespreksmodel
‘Omgaan met klachten’.
 

Eindterm 6: Alcohol

 
6.1 De kandidaat heeft kennis over alcohol, zoals:
informatie over alcohol (de stof);
het bloedalcoholgehalte (Bag);
de effecten van alcohol op lichaam en geest;
verantwoord alcohol gebruik;
alcoholmisbruik;
de Drank- en Horecawet;
de Wegenverkeerswet;
het Wetboek van Strafrecht;
alcoholgebruik in combinatie met drugs of geneesmiddelen;
de Code voor Alcoholhoudende Dranken.
6.2 De kandidaat heeft inzicht in hoe hij verantwoord alcoholgebruik kan bevorderen en
alcoholmisbruik kan voorkomen of beperken.
6.3 De kandidaat heeft inzicht hoe hij de Drank- en Horecawet effectief kan handhaven.
 
 

Eindterm 7: Drugs

 
7.1 De kandidaat heeft kennis over drugs, zoals:
informatie over softdrugs en diverse soorten harddrugs (de stof) en de
effecten van drugs op lichaam en geest;
wijze waarop drugs gebruikt worden;
de Opiumwet en het gedoogbeleid.
7.2 De kandidaat heeft inzicht in hoe hij drugsgebruik en drugshandel kan voorkomen.
7.3 De kandidaat heeft inzicht in hoe hij de Opiumwet effectief kan handhaven.

Eindterm 8: Tabak

 
8.1 De kandidaat heeft kennis over tabak, zoals:
informatie over tabak (de stof) en de effecten van tabak op lichaam en geest;
de Tabakswet en het rookbeleid.
8.2 De kandidaat heeft kennis in de wettelijke eisen met betrekking tot rookruimtes.
8.3 De kandidaat heeft inzicht in hoe hij de Tabakswet effectief kan handhaven.
 
 

Eindterm 9: Gokken

 
9.1 De kandidaat heeft kennis over gokken, zoals:
informatie over kansspelautomaten als spel en de effecten van problematisch
gokken op lichaam en geest;
de Wet op Kansspelen.
9.2 De kandidaat heeft inzicht in hoe problematisch gokgedrag te herkennen en aan te
pakken.
9.3 De kandidaat heeft inzicht in hoe hij de Wet op kansspelen effectief kan handhaven.
 
 
 
 

Eindterm 10: Veiligheidsvoorzieningen

 
10.1 De kandidaat heeft kennis over de bouwkundige eisen, die gesteld worden aan een
horecabedrijf, zoals:
vloeroppervlakte;
de hoogte van de lokaliteiten;
de ventilatie en toilet voorzieningen;
10.2 De kandidaat heeft kennis over de noodzaak van ruimtelijke voorzieningen, zoals:
doorzicht;
verlichting.
10.3 De kandidaat heeft inzicht in het adequaat gebruik maken van de ruimtelijke
voorzieningen.
10.4 De kandidaat heeft kennis over de eisen die gesteld worden aan technische
voorzieningen in een horecabedrijf, zoals:
kluizen;
camerasystemen;
alarmsystemen;
controlesystemen.
10.5 De kandidaat heeft inzicht in het adequaat gebruik maken van de technische
voorzieningen.
10.6 De kandidaat heeft kennis over brandveiligheid, zoals:
een omgevingsvergunning;
het ontstaan van brand en de oorzaken van brand;
verplichting en taken van bedrijfshulpverlening.
10.7 De kandidaat heeft inzicht in het adequaat uitvoeren van brandalarm en het
toepassen van brandcontroles.
10.8 De kandidaat heeft inzicht in de wijze waarop persoonlijke voorzieningen adequaat
worden ingezet bij toezicht en controle van de veiligheid, zoals:
nachtportiers;
horecaportiers.
 
 
 
 
 

 

Sociale hygiene examen
       Sociale hygiene examen

Deel deze pagina